Aandachtscirkels van Eberspächer

Welke gedachten spelen een rol om sporters een optimale prestatie mogelijk te maken en welke gedachten saboteren juist die sporter? De sportpsychologie doet daar duidelijke uitspraken over, aan de hand van het model van Eberspächer. De aandachtscirkels die hij bedacht geven perfect weer wat voor de sporter het ideale denkpatroon is voor een goede prestatie.

 

De juiste gedachte
Het is de ronde van Frankrijk, 2006. De dag waarop Oscar Freire mogelijkheden heeft om voor de rabobank (toen nog zonder dopinggevallen of affaire Rasmussen) een sprint etappe te winnen. De achtervolging op de vluchters gaat hard en voor Oscar het door heeft moet er gesprint worden. Hij zet hard aan, met ongelofelijke snelheid schiet hij soepel tussen zijn tegenstanders door. Freire wint, voor Robbie McEwen en Eric Zabel.

Maar achter de finishlijn aangekomen vraagt hij aan ploeggenoot Michael Boogert: “Zeg, heb ik eigenlijk gewonnen of waren er ook nog vluchters vooruit?” Waarop Michael lachte en zijn ploeggenoot feliciteerde, hij had glansvol gewonnen. Nu zou je denken dat een topsprinter als Oscar Freire, 3-voudig wereldkampioen, wel weet waar hij mee bezig is. Moet je hem niet op zijn vingers tikken en hem vertellen dat hij op moet letten in de koers?

Eberspächer
De Duitse sportpsycholoog Eberspächer geeft hier antwoord op. Deze man heeft voor de zogenaamde aandachtscirkels ontwikkeld (zie afbeelding; informatie uit “Mijn Olymipische missie”, Van Galen, 2008). Deze cirkels zeggen iets over het denken en het gewenste denkgedrag van een sporter en worden onder andere gebruikt door top-coaches, waarvan u enkele voorbeelden hier later zult lezen.

Wat houdt het in? Je moet deze cirkels zien als een soort spotlight, hoe geconcentreerder je schijnt, hoe feller het licht en hoe beter het denkgedrag. Beschijn je een groter oppervlakte, dan wordt je licht ook minder vel. Cirkel 1 is dan ook het beste: heel vel licht. Deze cirkel heet ‘ik en mijn taak’ en dat zegt dat het gewenst is dat een sporter tijdens wedstrijd in zijn hoofd enkel bezig is met wat hij moet doen: ik moet een bal halen, ik moet schieten (let op: niet ik moet scoren! Scoren is een doel, geen taak). Oscar Freire zat helemaal in de wedstrijd, puur bezig met fietsen en het winnen van een sprint. Geen enkele afleiding en dus helemaal in cirkel 1. De mentaal beste sporter laat zich dus zelfs niet afleiden door cirkel 2 ‘directe afleidingen’ zoals tegenstanders, of bijvoorbeeld ‘is de bal wel hard genoeg?’ of ‘Hoe fluit de scheidsrechter?’ Een ander voorbeeld is het welbekende scorebord-en-klok-kijken-als-we-net-even-voorstaan-wat-ons-afleid-zodat-we-weer-gelijk-komen. Ben je dan afgeleid, dan kan het steeds erger worden. In cirkel 3 ga je nadenken over dat je niet goed speelt en dat dat beter hoort te zijn (is-behoort te zijn vergelijking), waarom speel je niet goed (nou, omdat je er over na zit te denken, dus!). Cirkel 4, ‘slagen/falen’ brengt ons bij het ‘als ik nu mis, heeft dat dan effect op de winst of het verlies?’ en cirkel 5: ‘als we nu verliezen, dan degraderen we misschien wel’ (gevolgen slagen/falen).

Gevolgen van slagen
Maar ook andersom, ‘als we nu winnen, wat gebeurt er dan?’ zoals hockey bondscoach Marc Lammers beschrijft in zijn boek ‘coachen doe je samen’ over zijn tijd als Spaanse bondscoach. Zijn speelsters gingen voor het eerst in jaren goed op een EK. Als beste in de poule fase en als ze zo doorgingen misschien wel tot Europees Kampioen! Toen kwam er een Spaanse verslaggever die vroeg ‘hoe vinden jullie het om bijna de beste van Europa te zijn?’ De dames werden zo geconfronteerd met de gevolgen van winst en verlies en kwamen in cirkel 5 terecht. De flow waarin ze het hele toernooi al verkeerde was in één keer weg, niet verassend ook dat ze de volgende wedstrijd meteen werden uitgeschakeld.

Ten slotte is er cirkel 6, de zinsvraag. Tja, als je eenmaal met de vraag ‘wat doe ik hier?’ bezig bent, dan valt er weinig meer te winnen. Denk maar eens aan onze allerjongsten pupillen, die daar soms last van lijken te hebben en schijnbaar tijdens de wedstrijd aan het tellen zijn hoeveel wolken er aan de hemel staan. Dat is de 6e cirkel.

Goud winnende waterpolo coach Robin van Galen
Robin van Galen was met zijn welbekende gouden waterpolodames (2008) op het Europees Olympisch Kwalificatie Toernooi in Kirishi. De poulefase was bijna beslist en alles zag er nog rooskleurig uit. Om na de poulefase goed uit te komen moest het doelsaldo echter worden opgekrikt in de wedstrijd tegen Duitsland. Na 2 periodes stond oranje ruim voor, maar voor hun doelsaldo nog niet genoeg. Dit vertelde van Galen dan ook aan zijn speelster; ‘meiden, er moeten doelpunten gemaakt worden!’ Je voelt het al aankomen, onze oranje garde blokkeerde volledig. Een zenuwslopende tweede helft ging voorbij waarin de winst dan wel niet in gevaar kwam, maar Oranje verloor wel alle kracht en souplesse tegen het zwakkere Duitsland. (periodestanden: 4-1, 3-2, 1-1, 3-3)

Wat van Galen toen niet wist en wij gelukkig wel is dat hij door zijn speech op de helft zijn team uit aandachtscirkel 1 haalde en deze in cirkel 4, over winnen en verliezen zette, of zelfs in de 5e, de gevolgen ervan! Weg flow, weg goed spel.

Coachen tegen afleiding
Maar nog belangrijker eigenlijk. Wat te doen om te zorgen dat dit niet gebeurt? Een slimme is altijd als een coach zijn spelers bewust maakt van het mentale proces. Als een speler weet waar de valkuilen liggen dan krijgt hij ook inzicht in hoe die te ontwijken. Dus, trainer, coach, wijs je sporters ook naar dit artikel zodat zij zich bewust zijn van deze valkuil. Je kunt er immers alleen maar beter van worden.

Een andere manier om binnen de ‘flow’ te blijven en een erg belangrijke voor coaches is taakgerichtheid. Wat elk sport-psychologisch boek je zal vertellen is dat dit één van de steunpilaren is van de sportpsychologie. Sporters presteren beter als ze niet uitkomstgericht (we moeten winnen) worden gecoacht, maar als ze taakgericht (we moeten goed spelen). Zo hoort een coach altijd aan de kant te staan. Niet zeggen we moeten winnen, maar we moeten goed spelen. Niet we moeten doelpunten maken, maar we moeten scherper zijn, beter kijken, geconcentreerder passen.

Wat ons ook bij het laatste puntje brengt op onze weg naar het worden van een topcoach. Wees specifiek! Korte duidelijke zinnen komen het beste over maar geef daarin wel precies aan wat er beter moet (aan ‘let eens wat beter op’ heeft een speler niet zo veel aan ‘let op dat je in de ballijn staat als je man wordt aangespeeld’ heeft een speler veel meer).
Op die manier kan elke speler goed in zijn aandachtscirkel blijven zitten om zo optimale prestaties mogelijk te maken.