Pietertje – Een waar gebeurd Kerstverhaal door Ferd Vrijmoed

Pietertje was geen leuk jongetje. Nee, Pietertje was zelfs helemaal geen leuk jongetje. Hij plaagde zijn zusje elke dag. En soms zelfs wel twee keer op een dag. Hij kwam altijd te laat op school en na school kwam hij ook altijd te laat thuis. Het huiswerk bleef liggen waar het lag en na het spelen ruimde hij zijn speelgoed pas na drie keer vragen op. Ook poetste Pietertje zijn tanden met tegenzin in plaats van met tandpasta.

Pietertje was ook geen vrolijk jongetje. Je zag hem zelden lachen en als hij per ongeluk lachte en hij zag dat iemand keek, dan zette hij snel weer zijn gewone, niet-vrolijke gezicht op.

Het enige dat Pietertje wilde was golfen, hij wilde golf spelen, zoals hij dat op televisie had gezien.
Dat zag er niet zo moeilijk uit en hij kon het lekker in zijn eentje spelen, want hij haatte verliezen.
Elke dag was Pietertje wel op de golfbaan te vinden. Die lag vlak bij waar hij woonde, zeg maar om de hoek met een doggy-leg naar rechts. In Afferden, waar Pietertje woonde. Hij hoefde, om maar eens iets te noemen, geen Bergen te verzetten om er te komen.
Hij pakte dan een paar stokken uit de tas van zijn moeder. Die van zijn vader waren langer en zo groot was Pietertje nog niet.
En elke dag probeerde hij het balletje zo ver mogelijk weg te slaan.
Maar het balletje deed niet wat hij wilde en hoe harder hij sloeg, hoe slechter het ging.
Nee, daar werd Pietertje niet vrolijker van.
Wat waren het toch slechte stokken.

De ouders van Pietertje waren fervente golfers en zij hoopten dat golf Pietertje goed zou doen. Daarom mocht hij op golfles bij een echte pro. Maar hoe Pietertje zijn best ook deed, het kwam niet in de buurt van wat hij op de televisie zag. Als hij het balletje al raakte, wat zelden het geval was, dan ging het niet zo recht en eigenlijk ook niet zo ver, hoe hard hij ook probeerde te slaan.
Nee, daar werd Pietertje niet vrolijker van.
Wat een slechte pro had hij.

En wat zijn ouders ook probeerden, er was met Pietertje geen land te bezeilen.
Niet in de zomer, maar al helemaal niet als de dagen kouder, donkerder en korter werden.
Dan was er zelfs geen zee met hem te bezeilen.
Wat een slechte ouders had hij.
Nee, Pietertje had alle reden om niet vrolijk te zijn, hij had het niet getroffen in het leven.

“Pietertje” zei de vader van Pietertje op een dag “Dit gaat zo niet langer. Je moet maar een tijdje het huis uit. Je gaat met de Kerst bij oom Claus logeren.”
“Maar oom Claus woont helemaal in het noorden van Finland en daar is het heel erg koud” sputterde Pietertje gewoonte getrouw tegen. “En er ligt altijd sneeuw en dan kan ik niet golfen. En ik ken oom Claus helemaal niet en ook geen Fins. En dan loop ik hier Kerst mis.”
En zo ging Pietertje maar door met tegenstribbelen en het verzinnen van smoesjes.
Maar wat Pietertje ook zei, zelfs moedertje lief hielp hem nu niet meer en daags voor Kerst werd Pietertje op het vliegtuig gezet naar oom Claus in Finland. Eerst met een heel groot vliegtuig, daarna met een wat kleiner vliegtuig en vervolgens met een nog kleiner vliegtuigje, waar naast Pietertje nog net plaats was voor de automatische piloot.

Oom Claus stond hem al op te wachten. In een op het oog voor hem te kleine open slee met acht rendieren ervoor. Het sneeuwde en vroor zeker 40 graden en ondanks zijn wolletje, zijn trui, zijn dikke overjas, zijn warme das en zijn bonte muts met oorflappen was het klappertanden van Pietertje tot op hole 11 in Afferden te horen.
“Hoor, een specht” zeiden de golfers op hole 11, maar wij lezertjes weten wel beter.

“Kom Pietertje” riep oom Claus met bulderende stem, terwijl het ijs van zijn grote witte baard spatte, “Rovaniemi is nog een heel eind, dus stap in, dan gaan we thuis een lekker ijsje eten.”
Maar daar kon Pietertje niet warm voor lopen: “Dat is toch veel te koud, oom Claus, zo’n open slee in dit weer. Het vriest dat het kraakt.”
“Niks te koud” antwoordde oom Claus kordaat, “aan een auto heb je hier niets en krakende sleeën lopen het langst. Bovendien zit er verwarming op.”
En warempel, nadat Pietertje op de slee was geklommen en naast oom Claus had plaatsgenomen verdween de ijzige kou bij hem als sneeuw voor de zon. Van binnen was de slee groter dan hij van buiten leek.
Ho, ho, ho, riep oom Claus met welluidende stem en de rendieren vlogen over de sneeuw, die er buiten de slee nog metersdik lag. Ze passeerden wat zeehonden en een poolvos, en nog een ijsbeer en heel veel pinguïns, die even van pool waren gewisseld en toen waren ze er.

Pietertje had zijn ogen uitgekeken, want daar zijn ze tenslotte voor. Maar oom Claus was zo snel gegaan dat hij toch ogen tekort was gekomen, zodat hij maar de helft had gezien van wat hij had willen zien.
En omdat hij niet wist wat hij allemaal had willen zien, hij wist namelijk niet wat hij miste, had Pietertje niet zo goed kunnen genieten van wat hij wel zag.
Nee, daar werd Pietertje niet vrolijker van.

Oom Claus daarentegen was de vrolijkheid zelf, zijn dikke buik schudde van het lachen toen hij uitstapte. Was er wat te lachen dan? Pietertje keek om zich heen, een sneeuwwitte, golvende vlakte, hier en daar een valkuil van ijs en her en der stond er een vlag in de grond. Maar geen huisje te bekennen en dus was er niets om te lachen.
En dat was precies waarom oom Claus zo lachte. Die lachte altijd om niets.

Pietertje volgde oom Claus door een onzichtbare deur en stond plotsklaps in een rijk verlichte kamer, vol met jongetjes, of meisjes, dat kon hij niet zo goed zien. Ze hadden allemaal doorzichtige vleugels op hun rug, zogenaamde finnen vertelde oom Claus en zo had Pietertje meteen al wat geleerd.
De jongetjes, of meisjes dus, zaten aan lange tafels met veel en lekker eten erop en ze kletsen elkaar de oren van het hoofd. Het oorverdovende geroezemoes kon hierdoor geen schade meer aan hun oren toebrengen. Terwijl ze kwebbelden en van al het lekkers op tafel snoepten waren ze bezig met het steeds groter maken van een enorme stapel pakjes.
“Elfjes,” bulderde oom Claus, want dat waren het, “dit is Pietertje, mijn neefje uit Afferden. Pietertje komt bij ons Kerst vieren.”
Alle elfjes hadden de oren nog meer gespitst dan ze al waren en bij het horen van deze blijde boodschap weerklonk een luid gejuich en iedereen wilde dat Pietertje naast hem kwam zitten, of naast haar, dat was immers nog steeds niet duidelijk.

Al kwebbelend, snoepend en inpakkend verstreek de tijd, maar er was duidelijk tijd genoeg, want het tafelen ging vrolijk voort. Van natafelen was in het geheel geen sprake.
De praatjes gingen over rendierkoetjes en rendierkalfjes en over ditjes en datjes, maar Pietertje luisterde maar met een half oor. Zijn gedachten dwaalden over de golfbaan bij hem thuis en bij elk onderwerp hield hij zich op de vlakte.
Het was natuurlijk wel raar dat ze hem verstonden. Hij sprak weliswaar zonder Limburgs accent, maar toch. En ook was het raar dat hij hen verstond, al had hij geen flauw idee welke taal iedereen sprak.
Maar Pietertje dacht daar niet te lang over na. Het belangrijkste was toch dat ze hem verstonden.

De toastjes met liflaf waren het meest in trek.
Oom Claus verdeelde de toastje eerlijk onder de elfjes, maar Pietertje was geen elfje en hij wist niet dat alleen elfjes liflafjes aten. Dus voelde hij een golf van protest in zich opkomen.
Nee, ook hier werd Pietertje niet vrolijker van. En toen er weer een nieuwe golf toastjes werd aangedragen kon Pietertje zich niet langer inhouden.

“Ik wil golfen.” zei hij met stemverheffing, terwijl hij zijn stem op onweer zette. Hij moest er zelfs bij gaan staan om boven het geroezemoes uit te komen.

Heel even verstomde het geroezemoes om al snel weer tot vol aan te zwellen. Alleen bij Pietertje bleef het stil. Hij moest knipperen met zijn ogen vanwege een flitsend schijnsel en toen hij weer wat kon zien zag hij tot zijn grote schrik dat hij buiten op een vlakte stond, samen met zijn gedachten, die zich daar al een tijdje ophielden. Maar niet op zijn bekende golfbaan in Afferden, maar op die grote, witte vlakte met al die valkuilen en die schaarse vlaggen. Een spookachtig groenblauw licht weerkaatste op de witter dan witte sneeuw en verlichtte de duistere omgeving met een blauwgroene glans, die betoverend de oneffenheden in het landschap aan het licht bracht.

Heel in de verte zag Pietertje een lichtpuntje. Het was frisjes voor de tijd van het jaar, een graadje of 50 onder nul, dus hij rende er op af, hopend dat het de onzichtbare deur was waardoor hij weer naar binnen kon. Echter daar aangekomen was er geen onzichtbare deur te zien. Wel zag hij een golfstok van ijs in de sneeuw liggen en daarnaast een golfballetje met een energiezuinig lichtje erin.

Er lag een briefje bij: “voor Pietertje” stond er op het briefje.
En een gedichtje:
“stok en bal, je weet het al
sla zoals het moet, dan gaat alles goed
maak je je druk
dan sla je ons stuk”

Voorzichtig raapte Pietertje de stok op om hem meteen weer te laten vallen.
Hij had duidelijk een koutje gevat. Jeempie, wat was die stok koud zeg. Toen keek hij naar het golfballetje dat er naast lag. Het leek wel een kerstbal, zo teer en fragiel als dat er uit zag.
Nee, hiermee kon je onmogelijk slaan.

“Nou Pietertje, waar wacht je op?” hoorde hij een stem in zijn rechteroor zeggen. Hij keek om zich heen. Er was niemand in de buurt.
“Jij wilde toch zo graag golfen” ging de stem verder “wel, hier liggen stok en bal, dus je hebt wat je wilt. Ga me niet vertellen dat het nou nog niet goed is.”

“Wie bent u en waar bent u?” vroeg Pietertje met een benepen stemmetje “en wat weet u van golf?”
Hij stond daar in de sneeuw allerminst op zijn gemak te bibberen. Hij sprak niet vaak met niemand, maar nu was er toch echt niemand te zien.
“Dat doet er niet toe.” zei de stem, “maar als je het echt weten wil, ik ben je bet-, bet-, bet-, bet-, betovergrootvader uit de 16e eeuw. In mijn tijd werd er ook al gegolfd en ik heb zelfs golfregels in een boekje beschreven.
“Ho” zei Pietertje, maar het klonk niet zo mooi als bij oom Claus. “Ho opa, ik weet dat de golfregels uit Schotland komen, dus kom nu niet met verhaaltjes.”
Maar de oude Pieter ging onverstoorbaar door: ”Het is niet zo belangrijk dat de regels uit Schotland komen Pietertje. veel belangrijker is hoe die regels in Schotland zijn gekomen. Zoek dat maar eens uit als je weer thuis bent. Er is vast wel een golfmuseum in de omgeving. En laat nu maar eens zien wat je kan.”

Maar we kennen Pietertje inmiddels en zoals verwacht sputterde hij ook nu weer tegen.
“De stok is te koud en het balletje lijkt van glas, en in de sneeuw rolt het balletje niet en ben ik het zo kwijt, en ik weet niet waar ik naar toe moet slaan, en …”
“Pietertje, Pietertje” onderbrak de stem, “Er is ook altijd wat. Bedenk dat de stokken vroeger ook heel kwetsbaar waren en de ballen zo duur, dat je die echt niet wilde kwijtraken. Daarbij speelde men op ruwer terrein dan jij in Afferden doet in een natuur, die lang niet zo glad was als de huidige golfbanen. En over gladheid heb je hier zeker niet te klagen.
Als je het rijmpje volgt kan er niets mis gaan.”

Pietertje keek nog eens naar de ijsclub voor hem en een stemmetje in zijn linkeroor zei: OK, pak de stok en geef dat balletje een lel! In de grond slaan maakt niet uit want het is toch sneeuw.”
Het stemmetje was van Pietertje zelf en de stemming tussen zijn oren zat er dus meteen in.
Hij raapte de ijzig koude stok uit de toch wel harde sneeuw, beet door de kou heen, slikte een keer en legde de juiste grip op de stok, want die had hij van zijn pro geleerd. Meteen voelde hij dat de kou uit zijn handen verdween. Toch wilde hij er maar snel van af zijn en zonder een oefenswing te maken zwiepte hij de stok tegen het balletje, dat een komeetachtig lichtspoor achterlatend onder een hoop gerinkel uit Pietertjes zicht verdween. Dat had hij niet van zijn pro geleerd. De stok lag in duizend brokjes in de sneeuw.
Wat een slechte stok was dat, hij had het toch gezegd.
Nee, hier werd Pietertje niet vrolijker van.

Net toen Pietertje ‘zie je wel’ wilde roepen bedacht hij dat er toch niemand was die het hoorde.
“Wat moet ik nou.” huilde Pietertje. “Nou is de stok stuk en ik heb geen balletje meer en ik ben helemaal alleen. Waar is oom Claus, ik wil naar huis toe.”
“Maar Pietertje,” klonk het in zijn rechteroor, geef je het nu al op? Dat doet een echte golfer niet hoor. Die weet moeilijkheden te overwinnen. Een golfbaan ligt daar immers vol mee. Kom, de stukken zijn nog heel en met een beetje passen en meten vriezen ze zo weer aan elkaar en heb je een nieuwe stok.
Dan draai je van de sneeuw een balletje en probeer je het nog een keer.
Zie het van de zonnige kant, al schijnt die niet.”

Zoals verwacht kwamen er van links weer protesten, maar toch minder dan Pietertje van zichzelf was gewend.
“Ik doe het niet.” zei hij met een pruilmondje “kan ik er wat aan doen, dat die stok is gebroken.” Maar terwijl hij dit zei, besefte hij dat hij het ijs natuurlijk wel zelf had gebroken. En hij begon van de stukken weer een stok uit een stuk te maken.
Die moest nog even aanvriezen en dat gaf Pietertje gelegenheid om een sneeuwballetje te maken. Ik maak hem wat groter, dacht hij, dan kan ik hem wat makkelijker raken. Er is toch niemand die het ziet.
Dat had Pietertje goed gezien, althans dat dacht hij, zoals ik al zei.
Vervolgens hoopte hij wat sneeuw op en legde hij de bal met de witte kant boven op het sneeuwhoopje. In de hoop dat hij de bal zo beter zou kunnen slaan.
Toen pakte hij de stok, die weer in zijn oude glorie leek hersteld, zwaaide hoog naar achteren en sloeg zo hard mogelijk tegen de bal, die daarop in een grote witte wolk uiteen spatte.
Wat een slechte bal was dat.
“Ik zei toch dat het niet kon.” schreeuwde Pietertje. Nou ja, hij schreeuwde wat anders, maar dat kan ik hier niet schrijven.
Nee, hier werd Pietertje niet vrolijker van.

Het bleef opvallend stil in Pietertjes oren. Tussen Pietertjes oren woedde nu onmiskenbaar een stille, maar verwoede strijd. Een tweestrijd zogezegd.
Aan de ene kant: het kon natuurlijk niet aan hem liggen. Het lag namelijk nooit aan hem. En nu ook niet, was het de eerste keer de stok, dit keer was het de bal, waardoor het mis ging.
Aan de andere kant, die bal had hij zelf gemaakt, en hij had er ook zelf tegenaan geslagen.
Er klonk een luid gekraak. Was het de vrieskou, het vroor nog steeds dat het kraakte. Of waren het de kleine hersentjes van Pietertje, die op volle toeren werkten.
Het kon natuurlijk ook de stem van de eeuwenoude Pieter zijn, die weer begon te praten. Stemmen gaan er in de loop der eeuwen doorgaans niet op vooruit.

Toch kon Pietertje de stem goed verstaan: “Waarom sloeg je zo hard? Waar sloeg je naar toe? Had die bal je wat gedaan? Heb je wel aan het rijmpje gedacht?” Allemaal terechte terechtwijzingen, maar aan Pietertjes dovemans oren gezegd.
Pietertje leek niet voor rede vatbaar, al was hij al zeven jaren geweest. Zijn arme hoofdje werd almaar voller ingesproken, ook door Pietertje zelf.
En tot overmaat van ramp stak een gure wind op, die het zicht danig vertroebelde, zodat Pietertje nog maar één gele vlag zag, met een gemene kuil ervoor.

“Nog een keer proberen Pietertje,” klonk het rechts, “net zo lang tot het goed gaat.”
Maar Pietertje bleef mokken. Hij had er in het geheel geen zin meer in.
Nu is algemeen bekend dat mokken in je eentje in de gure wind op een verlaten ijsvlakte nou precies een van de dingen is, die men als dat maar enigszins kan in het leven moet zien te vermijden en het duurde dan ook niet lang tot Pietertje inzag dat als hij niets deed er ook niets zou gebeuren.
Zo had hij zich de Kerst niet voorgesteld, zelfs niet bij oom Claus.
Hij koos sneeuw voor zijn geld en begon een nieuwe bal te draaien. Een stuk rustiger dan daarvoor en de bal werd dus ook een stuk beter. Met overleg legde hij de bal zorgvuldig op een nieuw hoopje sneeuw, dat ondanks de snijdende wind zijn vorm behield en de bal op zijn plaats.
Hij dacht na voor hij ging slaan. Alle lessen tolden door zijn toch al volle hoofdje en daar kwam het rijmpje nog bij. Als laatste goed kijken naar de vlag en vooral niet in de kuil slaan.
Met deze wijze adviezen, hoewel wel wat veel, in zijn achterhoofd sloeg Pietertje met gevoel de bal en zie, de stok bleef heel en ook de bal, die met een keurig boogje vlak voor de vlag in de kuil belandde.

“Die woorden kende ik nog niet.” zei de stem in zijn rechteroor, toen Pietertje wat tot bedaren was gekomen. “Je ziet toch wel het verschil als je met gevoel slaat in plaats van met geweld? Maar waarom wilde je ‘niet in de kuil‘ slaan in plaats van ‘wel bij de vlag’?”
Tja, wat moest Pietertje daarop zeggen. Inderdaad maar even niets.
“Het geeft niet hoor,” ging de stem door: “het overkomt de beste.”
Dat monterde Pietertje wat op en hij herinnerde zich ook nog wel televisiebeelden waar zoiets gebeurde. Er stroomde wat goede moed in hem en eenmaal vol goede moed liep hij naar de kuil.
Daar aangekomen zag hij dat de kuil vol lag met sneeuwballen.
“Welke is het nou?” vroeg Pietertje onthutst.
“Neem er maar een, ze zijn allemaal hetzelfde.” klonk het geruststellend.
En Pietertje koos een bal, die een beetje vrij lag. Met een ongekend rustige slag belandde de bal op de witte green en er verscheen zowaar een dun lachje op Pietertjes gezicht. En er was niemand in de buurt, waardoor hij de lach van zijn gezicht zou moeten halen.

Nu diende er zich een ander probleem aan. In sneeuw rollen golfballetjes niet echt lekker en een sneeuwbal die wel rolt in sneeuw wordt alleen maar groter en groter. Dan past zo’n bal vast niet meer in een hole.
Maar Pietertje wilde nu verder, hij had de smaak te pakken en het idee werkte op zijn ongeoefende lachspieren. Met enige spierpijn begaf hij zich naar de green.

Wat hij daar zag deed zijn mondje openvallen. Heel kort, want het was te koud om hem lang open te houden. Tot zijn grote verbazing werd hij verwelkomd door oom Claus en twee kleine padvinders, zodat hij het pad niet meer zelf hoefde te zoeken.
En de sneeuwbal was veranderd in een golfballetje met een warme oranje-rode kleur.

“We bespeurden enige innerlijke vrolijkheid en daar ben je dan eindelijk.” zei oom Claus. “Het duurde wel even voor je de weg had gevonden, maar je bent nog jong, dus helpen we je wel even in dit onbekende terrein.”
“Hoe komt u zo snel hier oom Claus? Net was er nog helemaal niemand.”
“Met de sneeuwscooter Pietertje, die is voor korte afstandjes en het weer klaarde op, net als jouw gemoed. Dat hielp enorm. Weet je al hoe je gaat putten?”
Nee, dat wist Pietertje niet, zo vaak sneeuwde het in Afferden niet.
Oom Claus, als altijd in een gulle bui zou het wel even voordoen en hij pakte een mooie houten putter uit zijn sneeuwscooter. “Deze stok Pietertje is nog van jouw overgrootvader geweest. Het is een antieke stok van meer dan 100 jaar oud, waarmee het moeilijk putten is. Maar je raakt er nooit van uitgeput.”
Toen liep hij naar de besneeuwde green. De twee padvindertjes stonden al klaar met een mini sneeuwruimer en het putten bleek net zo makkelijk als op de televisie.

“Oom Claus, mag ik u wat zeggen?” vroeg Pietertje bedeesd.
“Natuurlijk Pietertje, dat doe je toch al.” antwoordde oom Claus met blijmoedige stem, die weergalmde tegen het glooiende landschap.
“De wereld draait helemaal niet alleen om mij, besef ik. En als het niet goed gaat of niet naar mijn zin, dan moet ik de schuld eerst bij mijzelf zoeken, ben ik bang. Ik zie nu wel in dat het meestal aan mijzelf ligt en niet aan iemand anders of aan iets anders. Dat is toch zo oom Claus?”
“Dat is inderdaad zo, Pietertje, en daar hoef je helemaal niet bang voor te zijn. Ik weet dat al een hele tijd. Maar dat jij dit zegt is een hele grote stap. En dan moet de pubertijd nog komen. Als je hiermee kan omgaan, dan word je een heel blij en vrolijk ventje, dat later heel goed kan golfen, dat zie ik zo wel. Maar je moet het thuis zelf doen. Hier heb je nu genoeg geleerd.”
“Mag ik dan naar huis, oom Claus, ik wil zo graag Kerstmis met papa en mama en met mijn zusje vieren. Ik mis ze heel erg.”
“Hoef je je ijsje dan niet?” vroeg oom Claus: “Dat had ik je beloofd.”
“Ik ga liever naar huis.” zei Pietertje, een ervaring rijker, die hem niet in zijn koude kleren was gaan zitten.
“Goed dan, Pietertje, ik breng je wel even. Ik moet toch die kant op om wat pakjes af te leveren.”

Toen deed oom Claus de onzichtbare deur open, die Pietertje echt niet had gezien en stonden ze oog in oog met acht trappelende rendieren voor een slee vol met allerlei pakketjes.
Ze stapten maar eens op en Pietertje zwaaide terug naar alle elfjes, die hen uitzwaaiden.
De terugreis ging nog veel sneller dan de heenreis. Dat is altijd zo met een terugreis. Ze sloegen zelfs de vliegtuigen over. En dat rendieren konden vliegen was ook nieuw voor Pietertje.

Had hij nou geslapen?
Pietertje wreef eens goed in zijn ogen. Hij lag in zijn eigen warme bedje, hij had zijn lievelingspyama aan en niets wees erop dat hij van heel ver kwam.
Had hij dan alles gedroomd? Op zijn nachtkastje lag een golfballetje met een warme oranje-rode kleur.
En in de woonkamer lag onder de kerstboom een langwerpig pakje met een briefje erop.
“voor Pietertje” stond er op het briefje.
En er zat een gedichtje bij:
“stok en bal, je weet het al
sla zoals het moet, dan gaat alles goed
maak je je druk
dan sla je ons stuk”
Maar dat zou Pietertje pas na het slapen zien.